Referaat over het goede kinderboek door W.G. van de Hulst in 1952

Waarom verdient het goede kinderboek onze diepe belangstelling?

Stellingen:

  1. In de vervlakkende invloed van onze dagen is de bevordering van de leerlust der kinderen een dringende eis.
  2. Naast het gezin, is het voornamelijk de school, die stimulerend werken kan.
  3. Het goede kinderboek is veeleer en veel meer het boek van de kunstenaar dan van de pedagoog.
  4. Het levensechte, literair en psychologisch verantwoorde kinderboek kan, als echo van het eigen hart, het best de strijd voeren tegen de vervlakking en tot zegen zijn; – ook voor het latere leven.

Mijnheer de Voorzitter – dames en heren, er klonk een klacht. Ons kind leest niet meer, althans niet met de toegewijde aandacht dan vroeger jaren. Zo althans bereikte zij mij. Deze klacht over de leesluiheid van het kind onzer dagen, dat de bereidheid tot geestelijk verwerken en het concentratievermogen daartoe niet meer in voldoende mate opbrengt, is op zichzelf symptomatisch. Ook de wereld der volwassenen is moe, gemakzuchtig, indolent geworden; – een groot stadion vol ‘Hup-Holland!’-roepers, die zelf geen been strekken. Funest verschijnsel!

In het kinderboek is men deze decadentie van de kinderlijke belangstelling reeds sinds lang – maar op verkeerde wijze – tegemoet gekomen. Ik denk hier o.m. aan de sterk-sensationele jongensstreken-roman, – een genre dat soms uitwies tot een soort scheldliteratuur in kinderland.

De Amerikaanse onsmakelijkheid, de inhoud van een plaatjesverhaal te demonstreren in woorden, die als wanstaltige blazen de monden der optredende figuren uitpuilen, heeft zelfs de Bijbelse Geschiedenissen in deze niet ontzien. De ‘beeldroman’ kwam. Gelukkig, hij schijnt aan zijn eigen bloedarmoede ten gronde te gaan. Mogelijk is het wachten nu op de ‘droompil’, die het kind enkel maar heeft op te zuigen, om in zijn geest de schoonste verbeeldingen te zien verschijnen. En dan – dàn zijn we juist aan de opium toe. Dit is de weg niet, – en nóóit!

Ik meen mij ontslagen te achten, uw erentfest gezelschap het diepe belang van het boek voor het kind te moeten demonstreren; – de grote invloed ervan op zijn verstandelijke, zijn geestelijke, zijn culturele vorming; op de verrijking van zijn geest, de verwijding van zijn geestelijke horizon. Zou het in uw midden niet worden: Water naar de zee dragen? Laat mij U daarom – ook om wille van de tijd – maar direct brengen in de school. De school! Vergeef mij mijn ietwat zorgelijke glimlach.

De school! Ze is langzaam aan geworden de oude, moede pakezel, die sloffend zijn vrachtje verder torst; – de schoolmeesterdrijver gaat er naast, in weifeling of hij trots mag wezen op de kostbare lading van zijn beestje, – dan of hij zich ernstig bezorgd moet maken over de al duidelijker wordende afmatting van het dier. De school! Zij kan, – ik zal U zodadelijk mijn restrictie geven -, zij kan wonderen doen; – naar ik geloof, óók in de therapie van de leesluiheid.

De aandacht van het kind voor het boek moet gevangen worden. Het moet begerig worden gemaakt naar de schatten, die het boek verbergt en die te verwerven zijn. Heeft één daartoe de schone gelegenheid, dan is dat de onderwijzer, de onderwijzeres voor de klas. Ik mag enkele middelen aangeven. Om wille van de tijd moet ik het wel laten bij een sobere aanwijzing alleen.

  1. De schoolbibliotheek voor allen is niet te prefereren; de klassebibliotheek, onder de directe zorg van de onderwijzer, de onderwijzeres, neme haar plaats in.
  2. Uiterst gewenst lijkt het mij daarmee zo vroeg mogelijk te beginnen; zeker reeds in het tweede leerjaar. Het kleine kind moet van den beginnen af reeds in de goede richting worden geleid.
  3. Indien mogelijk stelle men het uitlenen van het boek als een te verwerven prijs voor het kind, die – het dus ook kan verliezen. Dit verhoogt de waarde.
  4. Men leze eens een boek uit de klassebibliotheek voor. Hier is gelegenheid te over om, in een gezellig praatje over dat boek, de aandacht te concentreren op zijn kwaliteiten.
  5. Een nieuwe aanwinst worde getoond en kinderlijk ingeleid. Bv. ‘Ik heb een nieuw, een prachtig boek gevonden voor onze bibliotheek; moet je eens horen!’ Dan volgen een paar kleine fragmenten. En: ‘Ik zal een lijstje aanleggen van de kinderen, die het ’t eerst mogen lezen.’ Ook kan hier een enkele maal de tegenstelling dienen: ‘Neen, dit boek vind ik toch niet erg mooi. Jullie? Waarom niet?’
  6. In de hogere klassen houde men periodiek – schrikt U niet! – een boekbespreking; 5 à 10 minuten. Natuurlijk uiterst eenvoudig. Men zij daarin niets anders dan de grotere lezer, die zeer geanimeerd met de kleine lezers over bepaalde boeken uit de klassebibliotheek spreekt.
  7. Beschikt de klas over een of meer doorlopende leesboeken – met een dwaze naam vaak doorrenboeken genoemd – dan is een aardig experiment: na beëindiging van de lectuur een eenvoudig babbeltje te houden over het zo juist gelezen boek. ‘Wie vinden jullie nu van de kinderen – of de mensen – uit dit boek de aardigste? Waarom?…… Van wie houd je het minst?Waarom?…… Welk deel van het boek vond je het mooist?’ Enz. De praktijk bewijst, dat de kleine lezers soms tot aardige, fijne analyses komen.
  8. Laat de kinderen eens een boek meebrengen naar de school, dat ‘thuis’ erg mooi werd gevonden. Hier schuilt gevaar van belangwekkend doen. Strenge selectie is eis. Een enkele maal kan plaatsing van een exemplaar van dat boek overwogen worden.

Zo zullen er voor iemand, die de noodzaak en het nut van dit pogen inziet en zelf dit werk ambieert, nog vele vondsten te vinden zijn. Immers, de goede onderwijzer is zijn leven lang een ‘vinder’. Al deze middelen dienen één doel: Het leesboek als ’t ware ‘ongemerkt’ in het belangstellingscentrum der kinderen te brengen. Moeilijk zal het zijn allen te bereiken
– leesgrage en leesluie kinderen waren er altijd, zullen er altijd blijven. Dat hebben we te aanvaarden.

Jammer, dat ons oude, mooie vak ‘Het vrije vertellen’ officieel reeds lang van de lesroosters verdween en door vele ijverzuchtige belangwekkendheden verbannen werd naar de plaats der minderwaardigheid, als eens de arme Assepoes naar de aspot…… Het oude ‘vertellen’, – was het niet de schoonste entree in de lokkende velden der verbeelding?
Maar nu mijn restrictie, waarover ik daareven sprak: Resultaten bij deze therapie verwacht ik enkel van de ambitieuze onderwijzer, de enthousiaste onderwijzeres.

Van een programmatig opleggen dezer werkzaamheden in het leerplan, verwacht ik niets. Deze materie is te ijl, te fijn. Didactiek maakt haar dood. Liefde alleen voor deze schone zaak zal haar leven geven. Geen moeten geeft hier vrucht; – willen alleen. Vrijwilligers voor!
Een enkele opmerking ter zijde: Ik heb mijzelf wel eens afgevraagd, of de overstelpende overvloed van kinderlectuur in onze huidige tijd de leesgraagte bij het kind ook nadelig beïnvloedt, de leesluiheid in de hand werkt; – evengoed als een overvloed aan speelgoed het kind het spelen verleert.

Ik zelf was een leesgraag jochie in mijn lagere schooljaren. Och, maar mijn leeshonger werd slechts zeer matig bevredigd. Bleef zij juist dáárdoor zo sterk leven? Schoolbibliotheken bestonden er niet; jeugdleeszalen nog minder; krant en tijdschrift had zijn kinderhoekje nog niet uitgevonden; fabrikanten kenden de kracht van reclame door allerlei attracties voor het lezende kind nog lang niet. Ik heb moeizaam gejaagd om buit te vinden. Ik verzeker U, dat ik de wonderlijkste creaturen verslagen heb. Thans? Benauwende overvloed, overdaad. En – overdaad schaadt. Wij hebben te aanvaarden. Laat ons echter, waar ons dit mogelijk is – in huisgezin, in school, in jeugdclub – dat gevaar bestrijden. Soberheid is eis.

Al deze zaken raken de uiterlijkheid van de materie! – zij is zeer belangrijk. De innerlijkheid schuilt in het boek-zèlf; – zij is oneindig veel belangrijker. De heer Gabriel Smit noemt in een van zijn stellingen ‘het kinderboek een vriend van het kind’. Prachtig! Een goed boek een goede vriend. Een slecht boek een slechte vriend. En – in beide gevallen – een stille vriend; – een, wiens invloed, juist door zijn weinige opdringerigheid, èn doordat zijn werk in de stilte geschiedt, van zo grote intensiteit is.

De invloed van het boek op een kind is veel groter en van feller directheid dan die
van het boek op een mens. Wij, groten, wij, wijzen en zeer verstandigen, wij distantiëren ons van ons boek; wij zetten het buiten ons. We schatten het op zijn waarde, we bekritiseren het, hoogstens confronteren we ons hier en daar met het gebeuren er in. Het kind?…… Het ziet geen afstand. Het vereenzelvigt zich met zijn boek; ondergaat het; wordt het boek zelf.

Het kind bekommert zich in het algemeen weinig of in het geheel niet om de schrijver; heeft maar flauw notie, dat er zo iets nodig is voor het tot stand komen ervan. Aan enige kritiek komt het zelden toe. Het snuffelt, – vergeeft mij het minder fraaie beeld – het snuffelt als een hond aan zijn gevulde etensbak. Smaakt het, hij hapt gretig, gulzig. Om te smullen, te smullen alleen; niet om zich te voeden. Maar als ’t hem niet smaakt, keert hij zich af zonder enige zelfstrijd, en met het gelaten gebaar van: ‘Houd dat maar!’

Deze, wel zeer primitieve instelling van het kind tot zijn boek is het juist geweest, die schrijvers er toe bracht, al meer en meer toe te geven aan deze smulzucht en van kostelijk voedsel enkel snoepgoed te maken; – giftig snoepgoed desnoods. En het kind at, tot – het walgde; een afkeer kreeg van zijn boek, het lezen verleerde. Hier naderen wij de zeer gewichtige vraag: ‘Hoe schrijven wij voor kinderen?’

Door de tijden heen is daarop naar het antwoord gezocht. De prachtige, gedegen studie van de heer Daalder, ‘ Wormcruyt met suyker’, tekent dit streven op kostelijke wijze.
Maar overal en altijd weer komt men de schrijver-zelf tegen, de schrijfster, de man, de vrouw, die zich van uit eigen menselijke hoogte overbuigt naar het kind, het tracht te geven iets, wat des kinds is; maar immer met het gebaar van de meerdere, de wijze, de goedgeefse, – althans van…… de volwassene.

Ze schrijven voor het kind, over het kind, – nooit als-kind-zelf uit het kind. De achttiende eeuw, de eerste helft der negentiende, huldigt, – óók voor het kind – de deugd als de schoonste eigenschap des mensen. Het kinderboek dus moet de kleinen reeds helpen, leren… hoger te klimmen op de ladder der heilige vervolmaking… Hoe onze groot-, onze overgrootvaders en -moeders deze drabbige lectuur hebben doorzwommen lijkt ons een raadsel.

Het boek móét…… het boek moet van alles. Het schijnt beschouwt te worden als de trechter, waardoor men zomaar ongehinderd allerlei waarheid, wijsheid, deugd,
allerlei levenskunst, allerlei dierbaars de kleine zielen kan ingieten. Het kinderboek in die oude jaren is een monstrum van moraliteit, dat in zijn kwabbige armen de kleine zielen verstikt.

De nieuwere tijd heeft zich dit monster van de schouders geschud weliswaar, maar
uiterst langzaam en niet zonder weifeling. En – eigenaardig verschijnsel – een stille,
vage eerbied voor de toch goede bedoelingen van de oude moloch is nòg niet geheel
verstorven. Immers, de eis, die de toonaangevende kringen aan het kinderboek stellen, is
vrijwel nog altijd die van de pedagogische voortreffelijkheid: Het kinderboek moet
opvoedend werken. Nog altijd speelt de mentor, de pedagoog, de wijze volwassene zijn souffleursrol in het kinderboek; – zijn schaduw althans waart er in rond.

Moet dit? Ik betwijfel het zeer. Ik acht dit juist een van de diepere oorzaken, die menig kind
– zij ’t onbewust van wat hem hindert – zijn boek doet ter zij leggen. U schrikt mogelijk even. Toch zult U mij zeker niet betichten, het kinderboek zijn nobele hart te willen
ontnemen: de opvoedende kracht.

Zo is ’t ook niet. Maar – het accent in het kinderboek ligt veelal nog verkeerd. Ik wijs de opvoedende kracht in het kinderboek niet terug, integendeel; maar wel – en zeer beslist – elk zweem van opzettelijkheid, die het kind verhinderen zou, onbevangen te komen tot zijn boek. De instelling van de schrijver tegenover zijn werk beslist hier.

Ik herhaal: Hij moet niet over het kind schrijven, niet voor het kind; maar uit het kind. Hij moet – onsmakelijk, maar veel gebruikt beeld – in de huid kruipen van het kind. Hij moet als volwassene volkomen terug. Hij moet zèlf kind zijn en met kinderogen de wereld, waarin zijn kleine of grote mensen leven, lieven, lijden, bezien; – met kinderhart de emoties beleven van zijn figuren.

Neen, het mag niet zó zijn, dat een schrijver een bepaalde gedachte centraal stelt, zelf aan de touwtjes trekt, en zijn marionetten die gedachte laat demonstreren; – niet zó dus, dat de boekfiguren sujetten worden, niet om hunzelfs wil, maar alleen om de wil des schrijvers uit te voeren. De schrijver, – hij moet, integendeel, de dienende zijn, die zijn boekfiguren ‘ondergaat’, die zelf lijdt of lacht, die zelf hoopt of gelooft, die zelf worstelt met de vragen en moeiten van de kleine levens, die hij ten tonele voert, alsof – alsof hij zelf kind was, volkomen hunner een……

U las mijn stelling: ‘Het goede kinderboek is veeleer en veel meer het boek van de kunstenaar dan van de pedagoog.’ Deze wijsheid in uw midden te poneren is voor mij, die zelf vele kinderboeken en -boekjes schreef, niet ongevaarlijk. Deze bewering, juist van mij, kan zo licht pretentieus klinken. Laat mij U bij voorbaat mogen zeggen, dat zij dat niet is. Ik heb geenszins de pretentie, in mijn werk voor kinderen altijd dit ideaal bereikt te hebben;
– wel de pretentie er naar te hebben gestreefd en dit…… welbewust.

Het belletristische kinderboek! Het boek van de kunstenaar, – litterair en psychologisch verantwoord! Hoge eis! Maar is dit te hoog gegrepen? Volstrekt niet. Ik ben er van overtuigd, dat juist dit hoge eisen stellen aan het kinderboek-zèlf van grote en goede invloed moet zijn. Ook op de leesgraagte van het kind.

De dwaze mening, dat het schrijven van een kinderboek, als het maar aan bepaalde pedagogische eisen voldoet en dus, naar men goedgelovig vertrouwt, opvoedend werkt, zo moeilijk niet is, moet gesignaleerd. Ook moet gesignaleerd de mening, dat ‘Kunst’ voor het kind contrabanda zou zijn, omdat het die niet waarderen kan. De diepste werkingen zijn altijd die van de stilte.

Ook de gedachte, dat het kinderboek op zo hoog plan gebracht iets gekunstelds, iets buitenissigs zou krijgen, – iets direct herkenbaars als rum in de pudding. Ook deze, dat het zich door woordenpraal en stilistische perfectie zou karakteriseren en zich zo onderscheiden van het gangbare kinderboek.

Neen, – de diepste waarde schuilt in de ziel van het boek. De ziel?…… Wat is dat? Moeilijk te omschrijven. Laat mij benaderen. Laat mij U mogen wijzen op dit eigenaardige verschijnsel: U hebt, jaren geleden, een boek gelezen – het kan ook een kinderboek zijn geweest -. En U weet er nog van, onvervreemdbaar zeker, dat het ‘zo mooi’ was. Als U echter inhoud en vorm van dit boek reconstrueren moet, komt ge tot de teleurstellende ervaring, dat ge maar zielig weinig meer weet van dat mooie boek. Feiten, namen, plaats van handeling, – ze zijn vervaagd, verdwenen. Uw geheugen laat U schromelijk in de
steek. En toch – mocht iemand glimlachend U aanzien om uw enthousiasme over een
boek, dat ge vergeten hebt, ge zult met hardnekkigheid volhouden: ‘Ja, – maar dat
het “mooi” was; vergeet ik nooit!’

U hebt dus toch iets onthouden. Dàt is…… geheugen van het hart; dàt laat U nooit in de steek; dàt sterft niet. Uw ziel is aangeraakt door de ‘ziel’ van dat boek…… En dit heeft U gesterkt in uw geestelijke groei. Naast vorm en inhoud, die hopeloos verbleekten, bezat zulk een boek dus een derde element, dat leven bleef. Zoek er een naam voor. Noem het de sfeer van het boek, de harteklop, de…… ziel.

En als ik daareven zei: ‘De diepste waarde schuilt in de ziel van een boek, dan bedoelde ik dus, die geheimzinnige invloed, die van het boek uitgaat op zijn lezer; – van het kinderboek óók op zijn kleine lezer; ja, hier, omdat er geen distantiëring is, is die invloed van veel dieper intensiteit. Ergo: Een goed schrijver, ook van kinderboeken, moet dus vooral zorgen, dat zijn boek een ‘ziel’ krijgt. Vergeefs pogen! Een pogen zou juist die ‘ziel’ doden! Zodra ook maar enige opzettelijkheid optreedt, gaat het fijne fluïde verloren, wordt het hoogstens…… pedagogiek.

De schrijver-kunstenaar zal deze invloed op zijn kleine lezers krijgen, ondanks zich-zelf. Het is genade…… Of – hij krijgt die niet. De emoties, de ontroeringen, de blijdschap, het leed, ze moeten door zijn eigen ziel – zijn kinderziel – heen breken en leven krijgen. Zo, en zo alléén kunnen zij misschien de ziel van het kind aanraken en ook daar leven wekken; – een aanraking, die het nooit vergeet.

Een kinderboek moet ‘waar’ zijn. Dit heeft met het antieke reclame-moois ‘Een waar verhaal’, ‘een verhaal op waarheid gegrond’, ‘een verhaal naar het leven’, ‘een verhaal naar het werkelijke leven’, – absoluut niets te maken. Waarheid en werkelijkheid zijn geen elkander dekkende begrippen. Het gaat in een boek – ook in een kinderboek – niet om de dingen zelf, maar om de ziel der dingen. Die dingen, de personen, de gebeurtenissen zijn slechts – wat wilt ge? – de spiegels, waarin de diepe waarheden van ons mensenleven in-licht-en-donker weerkaatsen; het zijn slechts de symbolen van dieper werkelijkheid; het zijn slechts de dragers van wat werkelijk, van wat eeuwig is en universeel. Niet uit de dingen zelf, – uit de wonder-ongrijpbare sfeer om en door hen straalt het leven van een boek.

Dit is het leven, dat door het hart van de schrijver moet heen breken. Zonder dàt blijft zijn boek, hoe knap, hoe pedagogisch voortreffelijk ook, – dood. En juist die sprake van zijn hart zal door het hart van het lezend kind worden verstaan, al heeft dat kind van het bestaan van zo’n wezen als een schrijver zelfs geen notie, al heeft de kwajongen heus de wetenschap niet, dat hier de goudglans van de waarheid schittert.

Hiermede is ook het goed recht verklaard van het Christelijk kinderboek, het vaak
gesmade; – en dit niet altijd ten onrechte. Ook hier is het weer: het hart van de schrijver spreke, zó, dat het kinderhart die sprake verstaat. Ik onderschrijf volkomen de stelling van de heer Daalder ‘dat kinderen niet afkeurig zijn van religieuze en ethische problemen’. Hun hart, zoveel dichter nog bij de eeuwigheid dan het onze, het door het leven geschondene, leeft vaak veel dieper geestelijk dan wij vermoeden. Het spreekt zich alleen heel moeilijk uit, of in het geheel niet; – kenmerk van het echte.

Waar het Christelijk kinderboek niet is een vermaan, een gecamoufleerd gepreek,  doorsponnen met Bijbelteksten, niet is een marionettenspel van zielloze wezens om de heilige, geestelijke waarden heen, maar – waar het de zielenood, die ook in ’t kinderhart groot kan zijn, aandurft, – waar het ’t licht van de uitredding doet gloren, – waar het de vrede en de vreugde van het stille Godsvertrouwen leven geeft, – dáár is juist dat Christelijk kinderboek van onschatbare waarde voor tijd en eeuwigheid.

Ik kan maar iets van deze materie, deze zeer bijzondere en zeer moeilijke, aanstippen. Zij verdiende een referaat apart. Dames en Heren! Ik sprak mogelijk al te lang. Een paar opmerkingen nog: Wij moeten het kinderboek zware eisen stellen, even zware als het boek voor volwassenen, maar – andersoortig uiteraard. Het kinderboek moet litterair en psychologisch volkomen verantwoord zijn, mag in geen enkel opzicht minderwaardig worden, omdat het maar-een-kinderboek is. Indien dit laatste het geval is, moet het onverbiddelijk als zodanig gesignaleerd. Ik geloof, dat onze strenge kritische houding
tegenover het kinderboek, een scherpe selectie ervan, ook in de materie van het
probleem, dat ons hier samenbracht, van grote kracht is.

Het kind moet in zijn boek zichzelf herkennen; het moet daarin de weerklank horen
van zijn eigen bestaan. Hem ten zegen. Er klonk een klacht: Onze tijd toont een al duidelijker wordende leesluiheid bij het kind. Het zal moeilijk zijn die klacht te doen verstommen. Maar de vijand – de indolentie – is herkend.

In de strijd daartegen gaat het kinderboek-zèlf vóóraan; voert het vaandel. Al onze pogingen, onze verzinningen ten goede, – onze arbeid en onze liefde voor het kind,
zullen, ter victorie, dit vaandel moeten volgen. Kinderverhalen. Fictieve gebeurlijkheden in woorden. Producten van beweeglijke fantasie. Wolkenspel aan avondhemel…… Zij zijn wel eens vanuit de hoogte ener schoolmeesterlijke kennisverheerlijking, tijdverdrijf, snoepgoed genoemd.

Maar het goede, het levensware kinderboek, waarin de gebeurtenissen slechts de reflexen zijn van dieper waarheid, verdient die geringschatting niet. Kinderboeken, zij kunnen, zij mogen, zij moeten de spiegels zijn, waarin het kind de levenswaarheden van aarde en hemel samen ziet, – deze ziet beter, juister, scherper dan in het leven zèlf; – zij moeten worden: de echo van zijn eigen hart. En zo zal het kind ze ook willen lezen. Zo zal de stille werking op het zieleleven van het kind een gezegende zijn.

W.G. van de Hulst hield dit referaat ‘Waarom verdient het goede kinderboek onze diepe belangstelling? tijdens het congres ‘Boek en jeugd’ in Den Haag op 2 en 3 november 1951.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *