Sem ontmoet de reus – gedeelte uit ‘Het kind van overal en nergens’

Kinderboekenweek 2017 griezelen Het kind van overal en nergens Jaap Dijkstra sem onrtmoet de reus

BESTEL ‘HET KIND VAN OVERAL EN NERGENS’

Het boek ‘Het kind van overal en nergens – een verhaal over Sem en zijn reis in het land zonder tijd’ is ideaal om in de klas mee te werken in de groepen 5 t/m 8 van de basisschool tijdens de kinderboekenweek 2017 met het thema griezelen. Het gaat hier om ‘betekenisvol griezelen’, want in het spannende verhaal van Jaap Dijkstra komen universele levenslessen en filosofische en spirituele thema’s speels en treffen aan de orde. De hoofdpersoon Sem heeft niet alleen bijzondere ontmoetingen met Krista, het kind van overal en nergens, maar ook met een leeuw, een reus en een draak. Hieronder volgt een gedeelte waarin Sem een reus ontmoet. 

Voorzichtig duwt Sem de klink naar beneden en piepend en knarsend gaat de deur open. Het lijkt wel of deze nog meer lawaai maakt dan de deur beneden, alsof hij in geen honderd jaar open is geweest. Sem stapt naar binnen en met een harde klap valt ook deze deur achter hem in het slot.

‘HEEE, WIE DURFT MIJ WAKKER TE MAKEN!’ BULDERT EEN HARDE STEM UIT DE VERSTE HOEK VAN DE RUIMTE. Sems hart bonkt in zijn borstkas. In het halfdonker beweegt iets heel groots . Een oorverdovend gerammel en geschuur komt dichtbij. Sem deinst achteruit, tot tegen de deur. Hij ramt op de klink, maar die geeft geen sjoege.

Uit de donkere hoek doemt een reusachtig hoofd boven hem op. Met grote ogen bekijkt Sem het wezen voor zich. Hij ziet wilde piekharen, felle blauwe ogen die hem nieuwsgierig aankijken en een grote wilde baard. Wenkbrauwen als bezems, handen als de grijpers van  een hijskraan en benen die meer op boomstammen lijken.

Sem rent naar het uiterste hoekje van de ruimte. De reus neemt één stap, steekt zijn grote hand uit om Sem te pakken … maar hij grijpt net mis. Vlak voor Sems gezicht knijpt de reus zijn hand dicht, maar er zit alleen maar lucht in. De kerel heeft om zijn middel een ijzeren riem met een ketting die aan de muur vastzit. Gelukkig is de ketting net te kort.

‘HA, HA, HA, Ha,’ schaterlacht de reus, ‘daar schrik je van hè, jongeman.’
‘Eh, j-ja,’ stottert Sem/
‘Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe?’ galmt het door de ruimte.
‘Ik kom uit het Land van Hier en Daar en ik wil naar het Land van Overal en Nergens. Ik ben op weg naar de koning van dat land,’ zegt Sem.
‘HA, HA, HA. Het wordt steeds moeilijker om daar te komen jongeman. Je moet dwars door deze ruimte heen. Door de gang aan de overkant en dan kom je in het Land van Overal en Nergens. Maaaaaar … er is een hele grote moeilijkheid … ik sta in de weg en ik ben hier de baas … en ik laat je zomaar niet door. Begrijp je dat?’
‘J-ja, d-dat begrijp ik.’
‘Bovendien heb ik enorme honger. Jij lijkt me wel een mals hapje.
‘HA, HA, HA,’ schaterlacht de reus.
Sem krijgt het bloedheet.

‘Er is maar een manier om langs mij te komen. Ik geef je een raadsel op. Zolang je dat goed oplost, slaap ik. Maaaaaaar … als je het fout oplost word ik wakker en dan rek ik me flink uit en grijp is je…. Ik houd van de oplossing van het raadsel. Begrijp je dat?
‘Ja, ik b-begrijp het.’
‘Oké dan. Hier is het raadsel.’ De reus is een poosje stil
‘Als je mijn naam noemt ben ik verdwenen. Wie ben ik?’
De reus loopt met veel kettinggerammel weer terug naar zijn hoek en gaat daar met zijn rug tegen de muur zitten. Intussen is het muisstil geworden. De reus valt in slaap.

Sem zit in zijn eigen hoek bij te komen van de schrik. Nu de reus niet meer vlak bij hem is wordt hij wat rustiger en kan hij beter nadenken. Hij herhaalt het raadsel nog maar eens. ‘Als je mijn naam noemt, ben ik verdwenen. Wie ben ik?’
Nou, dat is niet eenvoudig, of liever gezegd, het is een onmogelijk raadsel.

En wat zei de reus voor geks: Zolang je dat goed oplost …’ Dat moet toch zijn ‘als je dat goed oplost’.
Sem is best een slimme jongen dus laat hij het er niet bij zitten. Wie is er nou verdwenen als je zijn naam noemt. Hij denkt en denkt, maar er wil hem niets te binnen schieten.
Langzamerhand wordt hij toch een beetje zenuwachtig, maar als hij zenuwachtig wordt kan hij weer niet goed nadenken.
‘Niet nadenken! Gewoon blijven kijken en luisteren! zegt weer die stem van binnen.
‘Nou, alsof ik daar wat mee opschiet Zo komt er nog een raadsel bij, kun je niet wat duidelijker zijn?’ fluistert Sem bijna onhoorbaar.

Alles in de grote zaal ziet er nu vredig uit. De reus slaapt, het is muisstil. Er komt een plannetje op in Sems hoofd. Als het zo stil blijft, blijft de reus mooi slapen. Hij zou heel stilletjes naar de overkant van de zaal kunnen sluipen en daar de gang in kunnen vluchten.
‘Heel goed!’ zegt de stem. ‘Je hebt het antwoord gevonden.’ Ja natuurlijk. Als je ‘stilte’ zegt is het niet stil meer, dan is de stilte verdwenen. Ha, ha, hier zal de reus van opkijken.

Hij staat net op het punt om het antwoord naar de reus toe te schreeuwen als die stem zegt: ‘SssssssssTTTTTT, domoor, als je schreeuwt is de stilte toch verdwenen.’
Oh ja, natuurlijk, wat dom, zolang het stil blijft slaapt de reus. Hij moet nu heel stilletjes opstaan en zachtjes naar de gang aan de overkant sluipen.
Op z’n tenen loopt hij door de zaal naar de overkant. Zijn hart bonkt in zijn keel. Als de reus het maar niet hoort. Sem sluipt verder, maar halverwege kijkt hij toch even snel vanuit zijn ooghoeken. De reus ligt vredig te slapen.

Aan de overkant is Sem veilig, want de gang is veel te klein voor de reus. Ineens komt er weer een plannetje in hem op. Hier op deze veilige plek kan het wel!
Hij steekt zijn hoofd om de hoek van de gang, maakt een toeter van zijn twee handen, zet die aan zijn mond en schreeuwt keihard: ‘de oplossing is STILTEEEE.’

Het galmt door de hele zaal en de echo komt wel drie keer terug Direct springt de reus op, stoot zijn lelijke kop tegen het hoge plafond en schreeuwt: ‘AAUUWW,’ en direct daarop buldert hij: ‘Waar ben je jongeman dan zal ik je grijpen, grijpen zal ik je!’
‘Oh, daar ben je, ik zal je …’ Hij sterkt zijn arm uit naar de gang, zijn grijphanden gaan open … Sem maakt dat hij wegkomt, hij kan gelukkig hard rennen en dat is maar goed ook, want de reus steekt zijn wijsvinger in de gang. Sem kan hem maar net voor blijven. Hij staat hijgend op veilige afstand naar de bewegende vingertop te kijken. Hij grijnst.

In de verte gromt de reus: ‘GRRRRRR, ik krijg je nog wel.’
‘Ha, ha, ik zou niet weten hoe,’ roept Sem lachend.
‘Dat zal je nog wel merken jongeman.’
‘Ja, doei, de groeten.’
Hij draait zich om en loopt verder de gang in.

BESTEL ‘HET KIND VAN OVERAL EN NERGENS’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *